Nathan De Cat en het WK 2026: talent als principekwestie voor de Rode Duivels
Een sterk seizoen bij Anderlecht volstaat niet altijd om de nationale ploeg binnen te stappen, maar bij Nathan De Cat wordt die drempel openlijk in vraag gesteld. In het RTBF-programma La Tribune pleitten Philippe Albert en Nordin Jbari ervoor om de jonge middenvelder nu al richting WK 2026 te duwen. De discussie raakt aan een terugkerend dilemma: kies je in een eindtoernooi voor zekerheid en ervaring, of maak je ruimte voor vernieuwing en potentieel?
Waarom De Cat plots het symbool wordt van “vernieuwing”
Nathan De Cat wordt in de bronbeschrijving neergezet als een van de beste elementen van Anderlecht dit seizoen, een jonge middenvelder die “al een van de kaders” bij paars-wit lijkt. Dat is op zich al opmerkelijk: bij topclubs is het zeldzaam dat een speler op jonge leeftijd zo snel als onmisbaar wordt beschouwd. Concreet is het precies die combinatie van prestaties en leeftijd die het debat aanwakkert. Niet alleen omdat De Cat goed speelt, maar omdat hij dat doet op een moment waarop België opnieuw naar een volgende generatie zoekt.
Het Belgische elftal zit immers in een fase waarin gevestigde namen van eerdere cycli gaandeweg plaatsmaken voor nieuwe gezichten. In zo’n overgangsperiode wordt elke opkomende speler al snel meer dan een individuele casus: hij wordt een test voor de koers van de selectie. De Cat staat zo voor een bredere vraag: hoe snel moet een nationale ploeg talent omarmen, zeker als de plek waar hij speelt (het middenveld) al zwaar bezet is?
Het pleidooi van Albert en Jbari: “selecteren is ook belonen”
In La Tribune klonken de argumenten pro De Cat vooral normatief: selectie als erkenning voor geleverde prestaties. Nordin Jbari stelt het scherp: “Il doit être repris parce qu’il a du talent et il est jeune.” Daarmee legt hij de nadruk op twee criteria die in de praktijk vaak door elkaar lopen: kwaliteit in het heden en belofte voor de toekomst. De subtekst is duidelijk: als je wacht tot een talent “niet meer te negeren” is, heb je mogelijk al tijd verloren in zijn integratie.
Philippe Albert maakt er expliciet een “principekwestie” van: “S’il n’est pas dans la liste après avoir sorti une saison comme celle-là… C’est une question de principe.” Die redenering draait niet om tactiek alleen, maar om selectiepolitiek. In een nationale ploeg geldt impliciet een contract met de competitie: wie uitzonderlijk presteert, moet uitzicht hebben op de hoogste etage. Albert wijst er bovendien op dat er mogelijk spelers bij zullen zijn die in hun club niet altijd basisspeler zijn. Daarmee zet hij een klassiek spanningsveld op scherp: weegt de status van een speler (ervaring, reputatie, eerdere verdiensten) zwaarder dan actuele clubvorm?
Maar het pleidooi is niet noodzakelijk een eis dat De Cat meteen minuten moet maken op een WK. Er zit ook een ander idee achter, dat Jbari via een vergelijking illustreert: uitzonderlijk talent kan mee naar een eindtoernooi zonder een centrale rol te spelen, zoals hij aanhaalt met het voorbeeld van Ronaldo die in 1994 bij Brazilië werd geselecteerd zonder clubbasisplaats. Het gaat dan om “investeren” in een speler door hem het toernooimilieu te laten ervaren: trainingsintensiteit, druk, hiërarchie, wedstrijdvoorbereiding. Dat kan een versneller zijn in ontwikkeling, zelfs als de speler nauwelijks speelt.
De tegenargumenten: stabiliteit, hiërarchie en een middenveld dat al vol zit
De weerstand tegen een vroege WK-selectie voor De Cat zit minder in twijfel over zijn talent dan in de context van een eindtoernooi. In zo’n setting worden fouten zwaarder afgestraft, is er minder tijd om te experimenteren en kan een misstap niet worden rechtgezet in een volgende kwalificatiewedstrijd. Daarom klinkt het klassieke argument dat ervaring en stabiliteit cruciaal blijven, zeker wanneer je mikt op competitiviteit op het WK 2026.
Daar komt bij dat de concurrentie op het Belgische middenveld volgens de aangeleverde context bijzonder intens is. Namen als Amadou Onana, Youri Tielemans en Nicolas Raskin worden in het gesprek als “onaantastbaar” beschreven, wat meteen het praktische probleem blootlegt: wie laat je dan thuis? Zodra je die vraag stelt, verschuift de discussie van “verdient De Cat een selectie?” naar “welke keuze is het minst schadelijk voor het team?”
De Cat opnemen betekent in realiteit een plek afnemen van een ander profiel: een ervaren kracht of een speler die al langer in de groep zit. Dat kan gevolgen hebben voor groepscohesie, rolverdeling en het evenwicht tussen verschillende types middenvelders. In het programma breekt Jbari de impasse door te zeggen: “J’adore Axel Witsel mais je préfère prendre un joueur comme De Cat.” Dat is een heldere illustratie van het dilemma: kies je voor routine en verleden, of voor toekomst en dynamiek? Maar het is ook een keuze met risico, want routine is net de munteenheid die in knock-outvoetbal vaak doorslaggevend kan zijn.
Wat dit zegt over de selectiecriteria: vorm, potentieel en “principes”
Achter het debat schuilt een vraag waar elke bondscoach mee worstelt: welke criteria zijn doorslaggevend in een periode van overgang? De argumenten in La Tribune tonen dat “selectie” meerdere functies heeft. Enerzijds is het een sportieve beslissing voor het eerstvolgende doel (het WK). Anderzijds is het een signaalfunctie: naar de competitie, naar jeugdspelers, naar de publieke opinie.
Concreet staan er minstens drie logica’s tegenover elkaar. De eerste is meritocratisch: wie een uitzonderlijk clubseizoen draait, moet worden beloond. De tweede is pragmatisch: in een eindtoernooi neem je spelers mee die al bewezen hebben het internationale niveau en de druk aan te kunnen. De derde is strategisch: je gebruikt een toernooi, of minstens de aanloop ernaartoe, om een nieuwe kern te bouwen en toekomstige leiders vroeg te laten wennen.
Albert positioneert zich duidelijk in de eerste logica (principe en beloning), Jbari voegt daar de derde aan toe (ontwikkeling versnellen door ervaring). De tegenkant, impliciet aanwezig via de “onaantastbaren” en de voorzichtigheid rond ervaring, vertrekt eerder vanuit de tweede logica. Het lastige is dat die drie niet perfect te verzoenen zijn wanneer het aantal plaatsen beperkt is.
De inzet richting 2026: niet alleen een naam op een lijst
De kern van de discussie is uiteindelijk groter dan Nathan De Cat alleen. Het gaat over de manier waarop België zichzelf wil heruitvinden richting WK 2026: als ploeg die op routine leunt, of als ploeg die durft te vernieuwen terwijl het nog kan. In dat licht wordt De Cat een testcase voor het tempo van generatiewissel en voor de bereidheid om een jong talent niet pas “later”, maar nu al in te bedden.
Maar het debat laat ook zien hoe snel “vernieuwing” een zero-sum spel wordt: om iemand binnen te halen, moet iemand anders wijken. En precies daar stokte het gesprek in de studio: Onana, Tielemans en Raskin werden als moeilijk te passeren genoemd, waardoor de keuze automatisch doorschuift naar profielen met meer ervaring of een andere rol. Dat maakt de discussie gevoelig, want ze gaat niet enkel over prestaties, maar ook over status, trajecten en de psychologische dynamiek van een nationale groep.
Op termijn zal de doorslag afhangen van hoe de bondscoach die balans wil beheren: De Cat snel meenemen als investering, hem eerst via andere selectiemomenten laten wennen, of wachten tot hij zich ook buiten de Belgische competitie onmiskenbaar opdringt. Eén ding maakt het debat alvast duidelijk: als een jonge speler bij een topclub zo overtuigt dat oud-internationals er een “principekwestie” van maken, dan is de vraag niet meer óf hij in beeld is, maar wanneer en tegen welke prijs hij wordt ingepast.

Claire Delmarche est née à Jette, a grandi à Forest et vit aujourd’hui à Saint-Josse.
Bruxelles, elle la traverse en tram, en vélo ou à pied, carnet en main et casque sur les oreilles. Formée à l’IHECS, passée par quelques rédactions « où on met plus de temps à remplir un tableau Excel qu’à écrire un article », elle a vite compris qu’elle serait plus libre en dehors des circuits classiques.
Claire aime les histoires à hauteur d’humain. Celles qu’on ne voit pas dans les grands JT. Elle écrit sur la vie des quartiers, les luttes sociales, les brasseries de quartier qui ferment, les collectifs citoyens qui s’organisent, les contradictions bruxelloises qu’on adore détester.
Bilingue (et brusseleir par adoption), elle jongle entre les langues comme entre les tramways de la STIB. Elle refuse la neutralité molle et préfère le regard juste, nuancé, sincère, même s’il dérange.
Membre fondatrice de informations.brussels, elle y signe des papiers bruts, tendres ou caustiques — mais toujours vrais.
Sa devise : « Écouter avant d’écrire. Et toujours relire à voix haute. »


0 reacties