D1 ACFF in de beslissende fase: promotiedroom, degradatievrees en het debat over gehalveerde punten
De reguliere competitie in D1 ACFF zit erop, en daarmee begint een periode waarin één promotieticket en twee degradatieplaatsen het seizoen van twaalf clubs kunnen hertekenen. Van 28 februari tot 10 mei beslissen play-offs niet alleen wie sportief wint, maar ook welke projecten—van ambitieuze amateurkernen tot professionele jeugdopleidingen—een duw vooruit of een rem achteruit krijgen. Het systeem met gehalveerde punten belooft spanning, maar roept tegelijk vragen op over sportieve billijkheid.
Wat staat er op het spel: één ticket omhoog, twee plaatsen omlaag
Concreet splitst D1 ACFF zich na de reguliere fase in twee trajecten. In Play-Offs 1 (PO1) strijden de zes best geklasseerde ploegen om promotie richting Challenger Pro League. In Play-Offs 2 (PO2) vechten de zes laagst gerangschikte teams tegen degradatie naar D2 ACFF, waarbij uiteindelijk twee clubs een niveau zakken.
Die dubbele inzet maakt de play-offs tot meer dan een sportieve apotheose. Promotie betekent voor één club een grote stap in professionalisering: meer zichtbaarheid, een zwaardere sportieve context en doorgaans ook hogere organisatorische eisen. Degradatie werkt omgekeerd: een sportieve tik die al snel economische gevolgen kan hebben, zeker voor clubs die hun werking—van jeugd tot infrastructuur—financieel op het randje balanceren.
Belangrijk detail: niet elke sportieve winnaar kan automatisch stijgen. Zoals het in de berichtgeving wordt samengevat, geldt dat alleen de best geplaatste club met de vereiste licentie voor de Challenger Pro League effectief kan promoveren. Daardoor wordt PO1 niet enkel een strijd op het veld, maar ook een test van bestuurlijke en financiële slagkracht.
Promotieslag in PO1: drie favorieten, drie uitdagers en een licentie als filter
In PO1 ligt de focus op een compacte top. Tubize-Braine, Excelsior Virton en RAEC Mons worden als de voornaamste favorieten naar voren geschoven, met een puntenverschil dat klein genoeg is om de eindfase bijzonder nerveus te maken. Net omdat de punten worden gehalveerd bij de start van de play-offs, kan een relatief beperkte kloof uit de reguliere fase snel verdampen.
Achter dat trio vervolledigen Meux, Habay-la-Neuve en Rochefort de top zes. Voor Meux en Habay-la-Neuve krijgt dit verhaal een extra laag: beide clubs waren pas vorig seizoen gepromoveerd en zitten nu al in het promotieluik. Dat wordt in de berichtgeving terecht als een opmerkelijke prestatie gezien, omdat het in zulke competities vaak jaren duurt om je sportief en organisatorisch te stabiliseren na een stijging.
Maar hier komt het licentie-element opnieuw bovendrijven. In praktijk kan een club sportief bovenaan eindigen en toch naast promotie grijpen als de licentievoorwaarden niet ingevuld raken. Voor supporters is dat soms moeilijk te verteren: zij zien een rangschikking, maar krijgen een “als… dan…”-scenario. Tegelijk is het een bewuste keuze in het Belgisch voetbal: de stap naar een (semi-)professionele reeks is niet alleen sportief, maar ook structureel.
Degradatiestrijd in PO2: waarom B-teams meer te verliezen hebben dan punten
In PO2 is de druk anders, maar minstens even groot. De betrokken clubs zijn Charleroi B, Stockay, Union Saint-Gilloise B, Union Namur, Crossing Schaerbeek en Standard B. Twee van hen zakken naar D2 ACFF—een harde uitkomst in een korte periode waarin elke wedstrijd een finale kan worden.
Opvallend is de aanwezigheid van drie B-teams (Standard B, Union Saint-Gilloise B en Charleroi B). Voor die teams draait het niet alleen om prestige of klassering, maar om opleidingslogica. De redenering is eenvoudig: als je jonge spelers wil klaarstomen, helpt het om hen zo hoog mogelijk te laten spelen. Een degradatie betekent doorgaans een lager competitief niveau, wat de overgang naar het eerste elftal minder scherp kan maken en de ontwikkelingswaarde van wedstrijden verlaagt.
Standard B staat er in de uitgangspositie het slechtst voor, maar het verschil met Crossing Schaerbeek en Union Namur is klein. Charleroi B, Stockay en Union Saint-Gilloise B hebben volgens de stand van zaken wat meer marge. Echter, ook hier speelt de halvering van de punten mee: buffers worden kleiner en het klassement kan snel kantelen. Dat effect—het “resetten” van zekerheid—is precies wat voorstanders zien als een garantie op spanning, en tegenstanders als een aantasting van de verdiensten uit de reguliere fase.
Het systeem met gehalveerde punten: extra spanning of minder rechtvaardigheid?
Het play-offformat met gehalveerde punten is ontworpen om de eindfase onvoorspelbaar te maken. Voorstanders benadrukken dat het supporters langer betrokken houdt, dat het clubs een tweede kans geeft en dat extra topaffiches extra inkomsten kunnen opleveren. In een reeks waar budgets sterk uiteenlopen, is die extra matchday-inkomst geen detail, maar soms een voorwaarde om het seizoen financieel gezond af te sluiten.
Maar er zijn ook duidelijke kanttekeningen. Clubs die een sterke reguliere fase speelden, kunnen het gevoel krijgen dat hun voorsprong kunstmatig wordt afgeknipt. “Onrechtvaardig” is daarbij vaak het sleutelwoord: het lijkt alsof maanden werk minder zwaar doorweegt dan enkele weken in het voorjaar. Bovendien loopt de play-offperiode van eind februari tot 10 mei, wat de belasting verhoogt. Meer wedstrijden betekenen meer kans op blessures en een grotere nood aan kernbreedte—iets wat kleinere amateurclubs niet altijd kunnen opvangen.
Daarbovenop komt een structurele spanning die typisch is voor D1 ACFF: profclubs met een B-team beschikken vaak over betere omkadering en infrastructuur, terwijl traditionele amateurclubs het moeten hebben van lokale verankering en beperkt betaalde of vrijwillige ondersteuning. Critici vrezen dat dit onevenwicht een competitie kan scheeftrekken, zeker wanneer details—fitheid, recuperatie, medische begeleiding—het verschil maken in een korte play-offreeks.
Wat deze play-offs zeggen over het Belgische voetballandschap
D1 ACFF is niet zomaar “een reeks lager”. Ze ligt op het vijfde niveau van het Belgische voetbalsysteem en wordt beheerd door de ACFF, die het (voornamelijk) Franstalige amateurvoetbal organiseert. Daardoor is het een ontmoetingsplek van uiteenlopende projecten: clubs die dromen van een sprong richting Challenger Pro League, en B-teams die vooral een opleidingstaak vervullen.
Die mix maakt de reeks interessant, maar ook complex voor het brede publiek. Enerzijds is er de sportieve logica van promotie en degradatie. Anderzijds zijn er licentievoorwaarden, opleidingsdoelstellingen en financiële realiteiten die mee bepalen wie vooruit kan. Dat verklaart ook waarom het format soms “verwarrend” aanvoelt voor supporters: niet alles wordt beslist door punten alleen.
Op termijn is net dát de kernvraag: is het promotiesysteem naar de Challenger Pro League tegelijk eerlijk en duurzaam? Als de licentie een noodzakelijke filter is om clubs te beschermen tegen een stap die ze niet kunnen dragen, dan is ze verdedigbaar. Maar als sportieve uitkomst en administratieve haalbaarheid te ver uit elkaar lopen, dreigt frustratie en onbegrip bij achterban en vrijwilligers die de ruggengraat van veel ACFF-clubs vormen.
De komende weken zullen daarom niet alleen winnaars en verliezers aanduiden, maar ook het debat opnieuw aanwakkeren over wat D1 ACFF precies moet zijn: een springplank naar hoger, een opleidingscompetitie voor profclubs, of een evenwichtsoefening tussen beide. Met gehalveerde punten, een lange eindfase en een licentie als laatste poortwachter is één ding alvast zeker: deze play-offs gaan over veel meer dan negentig minuten voetbal.

Claire Delmarche est née à Jette, a grandi à Forest et vit aujourd’hui à Saint-Josse.
Bruxelles, elle la traverse en tram, en vélo ou à pied, carnet en main et casque sur les oreilles. Formée à l’IHECS, passée par quelques rédactions « où on met plus de temps à remplir un tableau Excel qu’à écrire un article », elle a vite compris qu’elle serait plus libre en dehors des circuits classiques.
Claire aime les histoires à hauteur d’humain. Celles qu’on ne voit pas dans les grands JT. Elle écrit sur la vie des quartiers, les luttes sociales, les brasseries de quartier qui ferment, les collectifs citoyens qui s’organisent, les contradictions bruxelloises qu’on adore détester.
Bilingue (et brusseleir par adoption), elle jongle entre les langues comme entre les tramways de la STIB. Elle refuse la neutralité molle et préfère le regard juste, nuancé, sincère, même s’il dérange.
Membre fondatrice de informations.brussels, elle y signe des papiers bruts, tendres ou caustiques — mais toujours vrais.
Sa devise : « Écouter avant d’écrire. Et toujours relire à voix haute. »


0 reacties