Brussel: een ongeziene mobilisatie voor de bescherming van levende bodems

24 feb 2026 | Ongecategoriseerd

Rate this post

Brussel ontdekt de bodemstrijd: waarom “levende grond” plots een politieke inzet wordt

Negen Brusselse organisaties uit de stedelijke landbouw en natuurbescherming bundelen voor het eerst de krachten om “levende bodems” te verdedigen. De aanleiding is de herziening van het Gewestelijk Bestemmingsplan (PRAS), dat bepaalt wat waar mag gebeuren in de hoofdstad. Met 53% van het grondgebied al verhard gaat het debat allang niet meer alleen over natuur, maar ook over klimaatrisico’s, gezondheid en de toekomst van wonen in de stad.

Een ongeziene coalitie, op het moment dat de spelregels worden herschreven

Dat negen verenigingen zich samen organiseren is op zich nieuwswaardig: stedelijke landbouw, buurtprojecten en natuurorganisaties opereren vaak naast elkaar, met verschillende prioriteiten en achterbannen. De PRAS-herziening fungeert nu als katalysator. Het plan is een centraal instrument van het Brusselse ruimtelijk beleid: het legt vast welke zones bestemd zijn voor wonen, economie, natuur, infrastructuur of landbouw. Wie de bestemmingen bijstuurt, beïnvloedt dus rechtstreeks de ruimte die nog kan dienen als park, tuin, akker, infiltratiezone of bouwgrond.

Concreet lezen de organisaties de herziening als een zeldzame kans om de “laatste levende bodems” structureel te beschermen. Hun waarschuwing richt zich op drie dreigingen die elkaar versterken: verdere artificialisering (verharding en bebouwing), vervuiling en vastgoedspeculatie. In een regio waar grond schaars is en druk op woningbouw hoog blijft, is de verleiding groot om open ruimte te zien als “reserve” voor ontwikkeling. Net dat uitgangspunt willen de verenigingen omkeren: bodem is niet de wachtkamer van toekomstige projecten, maar een basisinfrastructuur voor een leefbare stad.

Wat maakt een bodem “levend” en waarom doet dat ertoe in een stad?

In het publieke debat gaat het vaak over bomen en parken, minder over wat er onder onze voeten zit. Toch vormt precies die laag de motor van veel stadsfuncties. Jean-Baptiste Godinot van We Are Nature.Brussels verwoordt het als volgt: “Les sols sont en fait le substrat de toute la nature et toute la biodiversité, y compris en ville.” Wanneer bodem verdwijnt onder beton of asfalt, verdwijnt niet alleen “groen”, maar ook het habitat dat biodiversiteit draagt en herstelt.

Lire aussi :  Ontdek Brussel: cultuur, vrije tijd en het praktische leven in de Europese hoofdstad

En praktijk vertaalt zich dat in zeer tastbare effecten. Vegetatie die op levende bodems kan groeien helpt temperaturen te temperen en verlaagt het hitte-eilandeffect tijdens warmteperiodes. Dat is geen luxe: hittegolven raken dichtbebouwde wijken het hardst, zeker waar weinig schaduw en weinig groen is. Daarnaast werkt een onverharde bodem als spons. Regenwater kan infiltreren, waardoor piekafvoer vermindert en het risico op wateroverlast afneemt. Een stad die verhardt, duwt water sneller naar riolen en lagergelegen straten; een stad met bodemruimte kan water bufferen.

Ook luchtkwaliteit komt mee in beeld. In een dichte stedelijke omgeving is elk element dat lucht kan filteren of stof kan vasthouden relevant, zeker wanneer groenstructuren onder druk staan. De kern van het argument is eenvoudig: levende bodem is een “drager” van natuurprocessen die in een verstedelijkte omgeving schaars worden, maar net daardoor aan waarde winnen.

Van klimaatadaptatie tot mentaal welzijn: de maatschappelijke winst, en voor wie?

De verenigingen koppelen bodembescherming nadrukkelijk aan klimaatadaptatie. Godinot stelt: “Maintenir des sols vivants va permettre d’adapter la ville aux impacts du changement climatique.” Dat gaat niet alleen over een abstract toekomstscenario, maar over het beperken van extremen die nu al frequenter worden: hitte, intense neerslag en periodes van droogte. In die logica zijn bodems geen decor, maar infrastructuur die de stad minder kwetsbaar maakt.

Opvallend is dat het dossier ook de gezondheidsdimensie expliciet maakt. Toegang tot natuur in de stad wordt in toenemende mate besproken als factor in welzijn. Godinot wijst op het psychologisch effect: “L’accès à des espaces naturels permet de réduire la dépression et de réduire l’anxiété.” Dat argument raakt aan een bredere verschuiving in stadsdenken: groen wordt niet langer enkel verantwoord met biodiversiteit, maar ook met volksgezondheid.

Maar de vraag “voor wie?” is cruciaal. Klimaatimpact treft niet iedereen gelijk. Kwetsbare groepen wonen vaker in dichtbebouwde zones met minder groen, en ondervinden meer hinder van hitte en wateroverlast. Als bodembescherming en vergroening vooral terechtkomen in wijken die al goed bediend zijn, kan dat de ongelijkheid bestendigen. Omgekeerd kan een sterker PRAS net sturen op meer rechtvaardigheid, door bescherming en herstel van bodems te prioriteren waar de noden het grootst zijn.

Lire aussi :  De Vooruitgang van het Beleid in de Brusselse Hoofdstedelijke Regering

De botsing met andere doelen: woningen, investeringen en ruimteconflicten

De tegenargumenten zijn reëel en vaak politiek zwaarwegend. Strengere bodembescherming kan ontwikkelings- en vastgoedprojecten afremmen, en dus botsen met economische belangen. In een stad waar woningnood en betaalbaarheid prominente thema’s zijn, kan elke beperking op grondgebruik worden gelezen als een rem op woningbouw. Dat maakt het debat gevoelig: bodem beschermen mag niet automatisch gelijkgesteld worden met “tegen wonen zijn”, maar het risico op die framing bestaat wel degelijk.

Daarnaast is er de praktische kant. Bescherming en herwaardering van bodems vraagt investeringen: in planvorming, in beheer, soms in hernatuurlijking van zones die al zijn aangetast. Ook handhaving speelt mee. Een plan kan ambitieuze kaarten en categorieën bevatten, maar zonder duidelijke naleving blijft veel symbolisch. De open vraag is dus niet alleen wat het PRAS op papier zal zeggen, maar ook welke mechanismen ervoor zorgen dat bodems effectief gevrijwaard blijven.

Tot slot is er concurrentie tussen functies. Eenzelfde stukje grond kan worden opgeëist voor recreatie, voedselproductie of ecologische verbinding. Stedelijke landbouw biedt kansen voor lokale voedselzekerheid en betrokkenheid via collectieve tuinen, daktuinen of lokale kwekerijen, maar kan ook botsen met puur natuurbeheer of met intensief recreatief gebruik. De PRAS-herziening zal moeten bepalen hoe die functies zich tot elkaar verhouden, en welke prioriteiten gelden wanneer ruimte schaars is.

Waarom Brussel naar andere steden kijkt, en wat de echte test wordt

In Europa groeit het besef dat bodembeleid een sleutel is binnen bredere duurzaamheidsdoelen. Andere steden worden vaak aangehaald als referentiepunten voor groen- en klimaatbeleid, zoals Amsterdam, Kopenhagen of Parijs, waar vergroening op grotere schaal wordt doorgeduwd. Zulke vergelijkingen werken inspirerend, maar ze kunnen ook misleidend zijn: elke stad heeft een eigen ruimtelijke erfenis, eigendomsstructuur en politieke realiteit. Toch is de les bruikbaar: wie vergroening en bodembescherming ernstig neemt, verankert die niet alleen in projecten, maar in regels, budgetten en meetbare doelstellingen.

Lire aussi :  Live – Boerenprotest: tractoren opnieuw in Brussel, lichte incidenten gemeld

Voor Brussel wordt de PRAS-herziening daarom een lakmoesproef. De centrale vraag is of de mobilisatie van de negen organisaties zich vertaalt in bindende bescherming, of in een compromis dat vooral ruimte laat voor interpretatie. Even belangrijk is hoe de overheid economische belangen en publieke belangen tegen elkaar afweegt: blijft bodem een variabele in onderhandelingen, of wordt ze een harde randvoorwaarde zoals mobiliteit of veiligheid?

À terme kan deze coalitie het debat verschuiven. Niet door “meer groen” als slogan, maar door een concreter begrip centraal te zetten: de levende bodem als basis voor biodiversiteit, waterbeheer, koelte en welzijn. In een stad die al voor meer dan de helft verhard is, klinkt dat als een technische discussie. In werkelijkheid gaat het over macht, prioriteiten en over de vraag welke stedelijke toekomst Brussel wil plannen: een stad die steeds meer dichtslibt, of een stad die haar resterende grond als strategische levenslijn behandelt.

0 reacties

Articles Connexes