Gratis vallen tegen de Aziatische hoornaar: slimme preventie of schijnoplossing?
In Elsene worden gratis vallen uitgedeeld om de Aziatische hoornaar te bestrijden, net op het moment dat de koninginnen uit hun winterslaap komen. Het initiatief lijkt eenvoudig, maar raakt aan grotere vragen: hoe effectief is burgeractie bij invasieve soorten, en hoe vermijd je nevenschade in een toch al kwetsbaar insectenlandschap?
Waarom Elsene nu al in actie schiet
Op het eerste gezicht is het vreemd om in de winter insectenvallen te verdelen. Maar de logica van de timing is precies de kern van de aanpak. Vanaf half februari komen de koninginnen van de Aziatische hoornaar (Vespa velutina) uit hun winterrust, zeker wanneer zachte temperaturen opduiken. In Elsene wordt expliciet verwezen naar de vroege lente als “sleutelperiode”, met een venster dat loopt van nu tot midden mei.
Het doel is niet om massaal werksters te vangen wanneer een nest al draait, maar om de opstart van kolonies te voorkomen. De milieuverantwoordelijke van Elsene, Valérie Libert, verwoordt het scherp: “Met elke koningin kan je een kolonie van 1000 hoornissen hebben.” Wie dus vroeg een koningin uit de circulatie haalt, probeert een exponentiële groei te blokkeren nog vóór ze zichtbaar wordt in tuinen, parken of aan bijenkasten.
Daarmee zet de gemeente in op preventie als goedkoper en effectiever alternatief voor latere interventies, zoals nestverwijdering. Het is ook een manier om de strijd tegen een invasieve soort te verbreden: niet alleen gespecialiseerde diensten, maar ook bewoners worden aangesproken als eerste linie.
Hoe de val werkt, en waarom herkenning cruciaal is
De val die Elsene verdeelt, wordt voorgesteld als selectief: een pot met een plastic deksel en kleine openingen. Die openingen zijn bewust klein, omdat de Aziatische hoornaar kleiner is dan de Europese hoornaar. De redenering is eenvoudig: als de Europese hoornaar niet binnen kan, vermijd je dat een inheemse soort onbedoeld het slachtoffer wordt van de bestrijding.
In de praktijk is de aantrekkingskracht gebaseerd op een mengsel dat veel bewoners waarschijnlijk in huis hebben: grenadine, bier en witte wijn. De geur lokt de hoornaar naar binnen, waarna hij niet meer uit de val geraakt. Het is een laagdrempelige techniek die vooral inzet op schaal: hoe meer mensen meedoen in de juiste periode, hoe groter de kans dat zwervende koninginnen worden onderschept.
Toch staat of valt het succes met correcte herkenning en correct gebruik. De berichtgeving wijst op een belangrijk onderscheid: de Aziatische hoornaar is kleiner dan de Europese en heeft aan het uiteinde van het achterlijf, dicht bij de angel, een donkeroranje tot roodachtige kleur. Dat detail is niet zomaar een weetje: verwarring tussen soorten kan leiden tot paniek, onnodig doden van andere insecten, of het mislopen van echte meldingen.
Wat er op het spel staat: bijen, bestuiving en een kettingreactie
Dat de Aziatische hoornaar zoveel aandacht krijgt, komt niet door een “enge” reputatie, maar door zijn ecologische impact. Hij jaagt op insecten en treft in het bijzonder bijen, die al onder druk staan door een combinatie van factoren. In het Brusselse initiatief wordt een harde consumptieschatting genoemd: een enkele kolonie zou in enkele maanden ongeveer 10 kilogram insecten en bijen verbruiken.
Concreet betekent dat een dubbele dreiging. Enerzijds worden honingbijen en wilde bijen rechtstreeks aangevallen, wat gevolgen kan hebben voor imkers en lokale biodiversiteit. Anderzijds raakt het aan bestuiving: minder bestuivers betekent minder veerkracht in stedelijke groenstructuren, tuinen en wilde flora. In een stad waar vergroening en biodiversiteit steeds vaker beleidsdoelen zijn, kan een invasieve predator snel een vermenigvuldiger van problemen worden.
Daarbovenop komt dat de Aziatische hoornaar zich niet beperkt tot “groene” zones. Elsene benadrukt dat nesten ook in corniches en andere bouwstructuren kunnen verschijnen. Het beeld van een puur bos- of parkprobleem klopt dus niet: ook dichtbebouwde wijken kunnen getroffen worden, net omdat kleine holtes en beschutte randen geschikte locaties zijn voor een startnest.
Burgerparticipatie als wapen: krachtig, maar ook kwetsbaar
Het Elsense model vertrekt van een aantrekkelijk principe: gratis materiaal verlaagt de drempel, waardoor inwoners kunnen bijdragen ongeacht hun inkomen. Dat heeft iets democratisch, en het vergroot de kans op brede mobilisatie. Bovendien is de ingreep eenvoudig genoeg om snel uit te rollen zonder zware infrastructuur.
Maar burgerparticipatie is ook een kwetsbaar instrument. De effectiviteit hangt sterk af van correcte plaatsing, regelmatig onderhoud en het gebruik in het juiste tijdsvenster. Een val die verkeerd hangt, te laat wordt geplaatst of slecht wordt opgevolgd, levert weinig op. En omdat de aanpak verspreid is over vele individuele handelingen, is het lastig om het totale effect in te schatten: hoeveel koninginnen worden werkelijk gevangen, en in welke wijken?
Daar komt een tweede spanning bij: elke val die “iets” vangt, is niet automatisch een succes. Kritische stemmen wijzen erop dat vallen ook andere insecten kunnen vangen, zeker wanneer ze onzorgvuldig worden gebruikt. Hoewel de kleine openingen een selectiviteit beogen, is het risico op nevenschade een terugkerende zorg bij dergelijke maatregelen. Het maakt van sensibilisering geen bijzaak, maar een absolute voorwaarde.
In die zin is de actie meer dan het uitdelen van materiaal: het is ook een test van publieke kennis, discipline en gedeelde verantwoordelijkheid. De vraag is of dit soort campagnes elk jaar opnieuw dezelfde motivatie kunnen opwekken, of dat “seizoensmoeheid” op termijn de impact afremt.
Van val tot nest: de nood aan coördinatie en duurzame aanpak
De valcampagne probeert vooral nieuwe nesten te voorkomen, maar ze lost het probleem niet volledig op. Wanneer er toch een nest wordt ontdekt, verschuift de verantwoordelijkheid naar professionele of georganiseerde hulp. In Brussel geldt dat de brandweer kan worden ingeschakeld, maar dat een gratis interventie gekoppeld is aan een risico- en urgentie-inschatting. In andere gevallen kunnen bewoners terecht bij vrijwilligers, zoals “groupe F”, dat met steun van onder meer Elsene gratis ingrijpt.
Dit illustreert een bredere realiteit: de bestrijding van invasieve soorten is zelden een kwestie van één instrument. Vroege vangst van koninginnen, snelle detectie van nesten, veilige verwijdering en duidelijke communicatie moeten elkaar aanvullen. Zonder coördinatie blijven lokale acties fragmentarisch: een succesvolle campagne in één gemeente kan worden ondergraven als naburige zones minder actief zijn.
Daarom wordt in de Brusselse context ook verwezen naar Brussel Leefmilieu als aanspreekpunt voor andere gemeenten. De uitdaging is om van losse initiatieven een stedelijke strategie te maken, met vergelijkbare regels, gelijkaardige communicatie en een gedeeld beeld van de resultaten. In andere Europese landen bestaan vergelijkbare preventieprogramma’s; sommige combineren burgeractie met professionele interventies, andere kiezen sterker voor nesteradicatie. Het Brusselse experiment past in die bredere zoektocht naar een werkbare mix.
Op lange termijn blijft de kernvraag open: is jaarlijkse preventie een blijvende noodzaak, of een overgangsfase tot betere detectie, snellere respons en meer gecoördineerd beheer het probleem structureel kan beperken? Het antwoord hangt niet alleen af van lokale inspanningen, maar ook van de manier waarop steden en regio’s samenwerken tegen een soort die zich niet aan administratieve grenzen houdt.

Claire Delmarche est née à Jette, a grandi à Forest et vit aujourd’hui à Saint-Josse.
Bruxelles, elle la traverse en tram, en vélo ou à pied, carnet en main et casque sur les oreilles. Formée à l’IHECS, passée par quelques rédactions « où on met plus de temps à remplir un tableau Excel qu’à écrire un article », elle a vite compris qu’elle serait plus libre en dehors des circuits classiques.
Claire aime les histoires à hauteur d’humain. Celles qu’on ne voit pas dans les grands JT. Elle écrit sur la vie des quartiers, les luttes sociales, les brasseries de quartier qui ferment, les collectifs citoyens qui s’organisent, les contradictions bruxelloises qu’on adore détester.
Bilingue (et brusseleir par adoption), elle jongle entre les langues comme entre les tramways de la STIB. Elle refuse la neutralité molle et préfère le regard juste, nuancé, sincère, même s’il dérange.
Membre fondatrice de informations.brussels, elle y signe des papiers bruts, tendres ou caustiques — mais toujours vrais.
Sa devise : « Écouter avant d’écrire. Et toujours relire à voix haute. »


0 reacties